
15 augustus 2026
Geen gezucht, maar wel gelach en ontroering bij De Salon tussen Zorg en Zuchten
Iedereen heeft zorg nodig. Ook de bewoners van de wijk Kruiskamp in Den Bosch. In theatervoorstelling De Salon tussen Zorg en Zuchten gaat theatergroep Stormkamer samen met Kruiskampers op zoek naar antwoorden op de vraag hoe we voor elkaar zorgen in een samenleving waarin we steeds vaker tegenover elkaar lijken te staan. Wie zorgt er straks voor wie? Een terugblik.
‘Wij zijn bezorgd over zorg’ trapt Hanna van Mourik Broekman, artistiek leider en regisseur bij Stormkamer, de voorstelling deze vrijdagmiddag in Huis van de Wijk af. Ze vertelt hoe ze samen met haar kinderen en man, Peter Vandemeulenbroecke, die eveneens meespeelt in het stuk, acht jaar bij haar vader heeft ingewoond met de afspraak voor hem te zorgen als het nodig was. Maar kon, en misschien belangrijker nog: wilde ze dat eigenlijk wel? Of, zoals ze de toeschouwers in de zaal meedeelt: ‘Konden onze kids eindelijk zelfstandig naar school en dan moet ik straks de kont van mijn vader wassen.’ Het publiek lacht en knikt instemmend. Want wie heeft er niet te maken met zorgen om ouders die ooit allemaal ouder en misschien wel hulpbehoevend worden? Uiteindelijk zucht iedereen vroeg of laat onder zorg.
De Salon tussen Zorg en Zuchten maakt deel uit van Lijn73, de programmalijn van Theaterfestival Boulevard waarin makers samen met bewoners en lokale partners werken aan nieuwe artistieke ontmoetingen in de stad. Voor deze voorstelling, door Stormkamer een theatraal stadsgesprek genoemd, doken de makers de wijk Kruiskamp in Den Bosch in. Daar spraken ze de afgelopen tijd met mantelzorgers, professionals en buurtbewoners over zorg. Zo ook met gemeenteraadslid Osman Çifçi, die al zestien jaar in de zorg werkt. Een dag eerder, tijdens de donderdagvoorstelling, sprak Diny van der Vleuten, bestuurder bij de Bossche zorginstelling Vivent, op het podium over haar ervaringen.
Een van de wijkbewoners met wie Stormkamer voorafgaand aan de voorstelling in gesprek ging, was Coen. Hij heeft spasmen en zit daardoor in een rolstoel. Hij maakte regisseur Hanna meteen duidelijk hoe complex de wereld eigenlijk is als je afhankelijk bent van anderen. Waar zij naar eigen zeggen best een paar dagen zou kunnen overleven op een onbewoond eiland, is dat voor Coen anders. ‘Nog geen dag’, verzekerde hij haar. Dat vertellen ze het publiek vanaf het podium, waar Coen inmiddels met een grote glimlach op zijn gezicht heeft plaatsgenomen. De Kruiskamper heeft al vaker op het toneel gestaan en bloeit daar zichtbaar op. ‘Op het podium kan ik vrij zijn’, zegt hij tegen de zaal. Hij vertelt daarna hoe het is om zorg te ontvangen en dat hij gelukkig nog zelf naar de wc kan. Het publiek luistert ontroerd naar zijn verhaal. Een luid geklap barst los als Coen zegt ‘mijn handicap hoeft niet mijn beperking te zijn’.
Daarna voeren Hanna en hij een gesprek over verantwoordelijkheden. Vindt Coen dat de samenleving voor hem verantwoordelijk is? Ja, dat denkt hij wel. ‘En ik dan?’, vraagt Hanna hem. ‘Het enige wat ik doe is belasting betalen, dat is mijn bijdrage aan de zorg’, biecht ze ietwat beschaamd op. Maar Coen stelt haar, en uiteindelijk ook de zaal, gerust: ‘Daarmee wordt wel de zorg in stand gehouden.’
Tekst: Daphne van Breemen



